« index ecce homo archief
2017 2016 2015 2014 2013 2012 2011 2010 2009 2008 2007 2006 2005 2004 2003
leeslijst links e-mail

1615

Johan Julius Exner (1825-1910)
A girl from Fanø standing in the doorway, reading a book (1884)

20 oktober 2017

1614

Ik herkende hem meteen, ging voor hem staan en keek hem eens recht in de ogen. Ik wilde in zijn neus knijpen en aan zijn baard trekken, ik wilde hém nu eens de waarheid zeggen. Maar ik aarzelde, ik had immers de verhalen allemaal uit de tweede hand. Al dat geouwehoer op marktpleinen, zijn gezagsgetrouwe pleidooi voor de rechter en al die onzin over ideeën en wedergeboorte, kon ik het hem wel aanrekenen?

Nee, het zijn de woorden van zijn leerling die ik de laatste tijd aan het lezen ben. Ik moest wel, vond ik, want eeuwenlang is impliciet en expliciet naar hem verwezen, dus werd het tijd om die boeken maar eens tot me te nemen. O, ik begrijp wel waarom die boeken zo bijzonder zijn, maar bij Zeus, zo verschrikkelijk saai!

Dus keek ik hem nog eens goed aan en vroeg wat er nu allemaal waar was van al dat schijnheilige getwijfel. En dat altijd iedereen maar instemde als hij naar hun mening vroeg. Waarom omringde hij zich voortdurend met laffe jaknikkers?

Hij zweeg en bleef stoïcijns in de verte kijken, alsof hij wist dat ik wist dat hij wist dat hij niets wist. Ik wilde nog zeggen dat hij helemaal niet stoïcijns kón kijken, dat hadden ze immers veel later uitgevonden! Toen las ik het papiertje naast hem: Socrates, Romeinse kopie. O vandaar, dacht ik nog, er is echt niks origineel aan die man!

Socrates
Rijksmuseum van Oudheden

18 oktober 2017

1613

Wanneer ik in de vroege ochtend aan mijn bureau mijn ontbijt eet, zie ik hoe langzaam maar zeker aan de overkant het duister tussen de bomen van het bos plaats maakt voor licht. De ruimte tussen de bomen wordt zichtbaar, het loof glinstert in de ochtendzon, het bos nodigt mij uit.

Toch steek ik maar zelden de weg over, de weg waarover de wereld aan mij voorbijtrekt, van links naar rechts, van rechts naar links, de lopende mens, de fietsende mens, mensen in auto's, bussen en werkverkeer. 's Ochtends gaan ze naar hun werk of school, 's middags maken ze dezelfde reis de andere kant op.

Een enkele keer zie ik mijn zoontje voorbij fietsen naar school. Soms kijkt hij op, ziet mij zitten in het licht van de bureaulamp en dan zwaaien we naar elkaar.

Het raam als lens op de wereld? Nee, ik ben beslist geen fotograaf. Of het raam als een doorzichtige scheidingswand tussen daar en hier, buiten en binnen, waarbij ik me kan afvragen of ik nu voor of achter het raam zit?

Als in de loop van de ochtend de zon naar binnen schijnt en een teveel aan licht mij belet te lezen, dan draai ik de luxaflex zo dat het binnen weer donker genoeg wordt. Is de dag bewolkt, dan draai ik de luxaflex zo dat ik die lelijke, geparkeerde blikken vervoersmiddelen niet meer zie, maar nog slechts de boomtoppen en het wolkendek.

Onlangs werd ik vijftig jaar. Hoe is het om vijftig jaar te zijn? Kijk naar het gebladerte van de bomen, hoe het aan de buitenkant langzaam verkleurt naar herfst: het verval is begonnen, maar de kleuren zijn mooi!

Bomen vertellen ons wat kunst is. Als het waait tonen zij wat onzichtbaar is, laten zij horen wat onhoorbaar is. Kunst toont waarover niet gesproken kan worden en of kunst daarbij verwijst naar een aan- of afwezigheid, dat komt op hetzelfde neer. De eerste karakters van Het boek van de Tao zouden mijn poëtica kunnen zijn: De eeuwige Tao kan niet in woorden worden uitgedrukt. De eeuwige naam kan niet worden genoemd. Maar of ik daarmee iets gezegd heb?

Kom, wandel, laat ons verhalen vertellen, fluistert het bos.

Ik lees en schrijf nog steeds achter mijn bureau en wanneer het buiten duister wordt en ik mijn spiegelbeeld in het raam zie oplichten, dan voel ik weer die verbondenheid met vroeger tijden en moet ik onwillekeurig denken aan de woorden van Miriam Van hee: ik zie de nacht en mijn gezicht / wat binnen is en buiten / wordt verward. Sommige woorden vergezellen mij een leven lang.

13 oktober 2017

1612

Mijn ogen kijken door de ogen van de ander en door de ogen van de ander lees ik mezelf.

Daar is een leeslint in mijn gedachten.

Er is een blik die me weerloos maakt, er is een paradox die ik niet kan oplossen.

Wie schrijft er?
Wordt er geschreven om de ander uit te wissen?
Wie leest de woorden die niet geschreven kunnen worden?

Was ik maar die ik ben gebleven, dichtte Faverey. Ik zou willen schrijven: was ik maar niet die ik ben gebleven, die mij wil wegdoen / zodra ik niet langer / meer spreek.

Mijn ogen spreken door de ogen van de ander en door de ogen van de ander spreek ik u toe:

Dacht ik het niet.

2 oktober 2017

1611

Zij wilde samen wandelen. Ze namen de trein en stapten uit op een onbekend station. Ze vonden een pad om te wandelen. Was het zomer? Het moet op een doordeweekse dag geweest zijn, toch kwamen ze andere mensen tegen, zij wilden ook wandelen. Spraken ze of deden ze dartel en speels als een verliefd stelletje? Ze liepen zoveel mogelijk in een rechte lijn, dat wel, totdat ze bij een grote weg kwamen. Ze waren moe nu. Zij wilde linksaf, dan zouden ze het station vinden. Daarvoor moesten ze rechtsaf, wist hij. Iemand moest inbinden, het was een voorteken. Ze bereikten het station. Hij zei niet: zie je wel, maar zij, zij zou het gedacht hebben.

28 september 2017