Jan-Willem Lubbers

ecce homo

«dat alles treurig was
vergankelijk en prachtig
»
Miriam Van hee

Ik ben geboren in 1967, twee dagen voordat Che Guevara werd geëxecuteerd. Ik groeide op in Friesland, in een landschap met horizon en overdrijvende wolken. Toen ik bijna negentien was, ben ik muziekwetenschappen gaan studeren in Utrecht. Ondertussen kwam ik mijn eerste grote liefde tegen, een liefde die onbeantwoord bleef. Na mijn studie vond ik mijn tweede grote liefde, trouwde en werd een trotse vader van drie mooie kinderen, twee zonen en een dochter. Inmiddels woon ik alleen en koester ik mijn alleenzaamheid.

Ik lees en schrijf graag. Soms ga ik wandelen en soms luister ik naar muziek, maar veel minder dan van een muziekliefhebber verwacht mag worden. Ik ontvang en bezoek vrienden en ik ga zo nu en dan naar een schaakclub om een partij schaak te spelen. Ik hou van film en zou vaker een bioscoop moeten bezoeken, zoals ik ook vaker in musea zou moeten ronddwalen. Maar dikwijls doe ik eenvoudigweg niets en luister naar stilte.

Mijn belangstelling gaat uit naar vele onderwerpen, maar het taoïsme en het leven en werk van Friedrich Nietzsche hebben al zeer lang mijn blijvende belangstelling, immer op de achtergrond en soms voor langere tijd op de voorgrond, het zijn rode draden in mijn leven geworden. Ik lees ook graag over minimalisme, eenvoudig leven, over wat Engelsen solitude noemen (maar waar geen goede Nederlandse vertaling voor bestaat), over kluizenaars en heremieten, over mensen die vertoeven in een niemandsland, zonder dat ik per se een vergelijkbare levenswijze nastreef.

Ik lees zo graag, omdat ik nieuwsgierig ben naar en me verwonder over de verhalen die mensen bedacht en opgeschreven hebben. Opgeschreven om die verhalen niet te vergeten, omdat ze wellicht van belang zijn, of omdat ze eenvoudigweg mooi en de moeite van het lezen waard zijn. Verhalen die al of niet bewust, direct of indirect, gedachten zijn over en mogelijke antwoorden zijn op de grote vragen als waarom, waartoe en waarvandaan, vragen die het leven van mensen soms nadrukkelijk, soms ongehoord en onzichtbaar, vormgeven. Daarom verzamel ik boeken, daarom omring ik mij met boeken, omdat het stemmen zijn uit een verleden die spreken over het mysterie dat het leven zo boeiend en de moeite van het leven waard maakt. Omdat ze mij zo vaak schoonheid en troost bieden.

Ik beschik niet over versteende politieke of religieuze overtuigingen. Ik beschik niet over in beton gegoten principes, over vastgeroeste leefregels, over een sjabloon die ik over de werkelijkheid en onwerkelijkheid heen kan leggen om alles te kunnen verklaren of kloppend te maken. Ik beschik niet over waarheid en onwaarheid, ik heb hooguit mijn vermoedens. Ooit formuleerde ik één leefregel voor mezelf: probeer ten allen tijde vriendelijk te zijn voor anderen – en dat bleek al moeilijk genoeg. Ik ontkom niet aan mijn illusies, maar uiteindelijk zal ik altijd erkennen: ik weet het (ook) niet. Wellicht bestaat het antwoord op alle vragen (maar niet in de vorm van een antwoord), wellicht bestaat er een theorie van alles (maar niet in de vorm van een theorie), wellicht is er een inzicht dat alles zal verlichten (oneindig korter dan een bliksemflits), maar dan is het niet te vatten in een taal, is het onuitsprekelijk (jaja, Wittgenstein). Wellicht 'toont het zich', in het wit van een gedicht, in de klank tussen de muzieknoten, in de twinkeling in de ogen van een kind … Wie het zoekt zal het niet vinden, het is niet te ontdekken, het laat zich niet forceren. Het vindt jou, in een onbewaakt ogenblik en dan weet je, het was er altijd al. Of niet, want ook dit 'weet' ik niet.

Daarom luister ik soms alleen maar naar het fluisteren van de stilte en lach.