1709

19 januari 2019

Mijn vader zei: Ook de haan die niet kraait ziet de zon opgaan
Athena Farrokhzad Een witte suite, 16

Er is een stomheid die niet vertaald kan worden
Athena Farrokhzad Een witte suite, 28

Mijn oom zei: Wat zal er met ons gebeuren als we onze bevrijding hebben bevochten / met dezelfde middelen die ons gevangen hielden
Athena Farrokhzad Een witte suite, 40

Er is een woord dat als laatste de mens verlaat / Morgen ben ik een lettergreep naderbij
Athena Farrokhzad Een witte suite, 66

Het levende is niet het tegendeel van het dode, maar een speciaal geval.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 377

1708

18 januari 2019

Te volwassen voor nieuwe dageraden, en te veel eeuwen doorgrond om naar meer te verlangen, blijft ons niets over dan ons te wentelen in het afval van de beschavingen.
Cioran Een kleine filosofie van verval, 184

Niemand heeft de moed uit te roepen: 'Ik wil niets doen!' – men is toegeeflijker jegens een moordenaar dan jegens een van daden vrijgevochten geest.
Cioran Een kleine filosofie van verval, 236

De tijdperken van angst overheersen die van kalmte; de mens ergert zich meer aan de afwezigheid dan aan een overdaad van gebeurtenissen; zo is de Geschiedenis het bloedige voortbrengsel van de menselijke weigering zich te vervelen.
Cioran Een kleine filosofie van verval, 255

Wandelen is verzet tegen de alomvattende snelheid.
Eric Brinckmann Wandelen met meester Li, 17

Mijn moeder zei: Onderschat nooit de moeite die mensen doen / om waarheden te formuleren die ze kunnen verdragen
Athena Farrokhzad Een witte suite, 8

1707

16 januari 2019

Wanneer de bodem nog vochtig is van de regen en er geen waterplassen op liggen, dan veert de bodem zo heerlijk mee tijdens het lopen.

Twee vogels lijken elkaar van alles toe te roepen, de ene vlakbij, de andere verder weg. De roddelaars van het bos.

Terwijl ik over een smal pad op een verhoging in het landschap balanceer, zie ik hem lopen op het heideveld. Statief met camera onder de arm, zou het een vogelaar zijn? Er zijn wel vaker vogelaars op het heideveld. Meestal posten ze dan op een heuvel en zijn dan pontificaal zichtbaar in de weide omtrek. Elke keer vraag ik me af waarom die nadrukkelijke aanwezigheid mij stoort en waarom ik bij voorbaat al ergernis voel. Maar deze jongeman loopt door en ik zie hem pas weer wanneer ik op mijn favoriete plek geniet van de omgeving, maar dan is hij weer snel uit mijn blikveld verdwenen.

Ik heb daar al zo vaak gestaan, maar elke keer is het uitzicht anders. Geen zon vandaag, alleen maar een grijze lucht, ik kan geen wolken onderscheiden of het moeten de vele schakeringen in het grijs zijn. Ik kan aan de geluiden van de snelweg horen dat de wind uit het zuiden komt, maar ik lijk de geluiden als enige op te merken. De bomen op het heideveld, de vogels in de lucht, het water in het ven, alles lijkt stoïcijns het dreigende gebrom te negeren. Wat de mensheid ook uitspookt, hier gaat alles verder alsof er niets aan de hand is, zoals het al voortging voordat de mens ten tonele kwam. De mens? Ach, een zucht op de eeuwigheid, ook die plaag gaat wel weer voorbij. Het zal even duren voordat de schade hersteld is, maar uiteindelijk zal het cirkelen rond een natuurlijk evenwicht op deze blauwe planeet weer terug zijn wanneer de verwoestende parasiet is uitgestorven.

Mijn blik gaat van de grijze wolken naar de zoom van het bos, over de heuvels van het heideveld langs de eenzame bomen, langs de boom met het bankje, naar de bolle brug over het drooggevallen kanaaltje naar het ven. Goedbeschouwd zijn er geen overgangen. Als ik mezelf als middelpunt neem, dan bevind ik mij in een onzichtbare koepel waarbinnen alles maar doorgaat en doorgaat en alles met elkaar verbonden lijkt en ik probeer me te realiseren dat ik daar een onderdeel van ben.

Het geluid van een vogel achter me haalt me uit mijn mijmeringen. Ik kijk om en zie een koolmees op een tak energiek 'zingen'. Onthouden, vermaan ik mezelf, onthouden dat dit het geluid van een koolmees is.

Wandelen plus mijmeren is een vorm van zwerveren, noteer ik.

Bij een kruispunt zie ik in mijn ooghoeken een hoopje oude bladeren bewegen. Stil blijf ik kijken of er een dier tevoorschijn komt. Een vogel, een muis of misschien zelfs een eekhoorn? Wanneer iemand achter mij mij een goedemorgen wenst, schrik ik op. De jongeman met het statief onder de arm. Ik groet hem terug en zie zijn glimlach. Ik voel me betrapt al weet ik niet waarom. Ik merk op dat hij rossig haar en een lichte huid heeft, zoals ikzelf vroeger, en sjofel gekleed gaat. Hij wandelt verder op het pad dat ik ook wilde gaan, dus geef ik hem een voorsprong, zodat ik hem niet voortdurend in de rug zal zien. Uiteindelijk neemt hij een afslag die ik niet zal nemen.

Een dof geroffel doet mij omhoog kijken. Meestal kan ik spechten niet localiseren, maar deze zie ik meteen. Dat hij geen koppijn krijgt van dat hameren. Hij vliegt naar een andere boom, wellicht om uit te proberen of deze boom uit beter hout gesneden is, maar ook deze klinkt dof. Hij probeert nog een ander exemplaar, maar als deze hetzelfde klinkt, vliegt de specht weg. Een groep ganzen vliegt in een v-vorm gakkend over.

De natuur roept en ik probeer in te schatten of ik thuis nog zal halen. Waarschijnlijk niet en aangezien ik geen zin in het voelen van nattigheid heb, kijk ik goed om me heen of ik geen mensen zie of beter: dat ze mij niet kunnen zien. Terwijl ik water tegen een boom, voel ik daar de vreemde sensatie van een koude bries.

Het kathedralenpad is vooral besprenkeld met naalden uit naaldbomen, behalve ergens halverwege, daar is een stuk alleen maar bedekt met bladeren. Hier is het mooi om omhoog te kijken, naar het plafond van overhellende takken. In de ruimte tussen de takken is de lucht te zien. Het is de ruimte die de patronen van de takken laat zien, hoe ze in elkaar grijpen, hoe ze een doolhof van lijnen vormen. De leegte, de ruimte maakt beweging en aanwezigheid mogelijk. De stilte het geluid.

Verderop kom ik een boompje tegen met alleen maar flinterdunne, uitgedroogde, bruine bladeren. Hij ziet er heel kwetsbaar uit, zijn blad verpulvert vast wanneer ik het aanraak. In gedachten troost ik hem, dat de bladeren over een paar maanden weer helemaal groen zullen zijn.

1706

15 januari 2019

De wetenschappen bewijzen onze nietigheid. Maar wie heeft er de laatste les uit getrokken? Wie is held geworden van de totale luiheid? Geen mens kruist zijn armen: wij zijn bedrijviger dan de mieren en de bijen. Nochtans, als een mier, als een bij – door het mirakel van een idee of een verleiding tot eigenaardigheid – zich afzonderde van de mierenhoop of de zwerm, als zij van buitenaf het spektakel van haar inspanningen beschouwde, zou zij haar arbeid dan nog volhouden?

Enkel het denkende dier heeft niets geleerd van zijn filosofie: het stelt zich terzijde op – en volhardt niettemin in dezelfde vergissingen, ogenschijnlijk efficiënt maar zonder enige realiteit. Van buitenaf gezien, vanuit om het even welk archimedisch punt, is het leven – met al zijn overtuigingen – niet meer mogelijk, zelfs niet meer voorstelbaar. Men kan slechts handelen tegen de waarheid in. De mens begint elke dag opnieuw, ondanks al wat hij weet, tegen al wat hij weet in. De helderziendheid is in rouw, maar – vreemde besmetting – die rouw is zelf actief; zo worden we meegesleept in een rouwstoet naar het Laatste Oordeel; zo hebben we van de laatste rust zelf, van de finale stilte van de geschiedenis een activiteit gemaakt: het is de enscenering van de doodsstrijd, de behoefte aan dynamiek tot in het gereutel...

Cioran Een kleine filosofie van verval, 74-75

'Je uren waar zijn ze heen gegaan? De herinnering aan een beweging, het teken van een passie, de roem van een avontuur, een mooie en vluchtige dementie – niets van dat alles in jouw verleden; geen delirium draagt je naam, geen fout die je eert. Je bent verdwenen zonder spoor; maar wat was dan je droom?'

'Ik had Twijfel willen zaaien tot in de ingewanden van de aarde, de materie ervan doordrenken, hem doen heersen tot waar de geest nooit zal doordringen, en nog voor het bereiken van het merg van de mensheid: de stilte van de stenen schudden, er de onzekerheid en de zwaktes van het hart invoeren. Als architect had ik een tempel van de Ondergang opgericht; als predikant de farce van het gebed geopenbaard, als koning de vlag van de rebellie geplant. Omdat de mensen een geheim verlangen koesteren om zich te verloochenen, had ik overal de ontrouw opgewekt, de onschuld in ontsteltenis gestort, de zelfverraders vermenigvuldigd, de mensen verhinderd te bederven op de composthoop van zekerheden.'

Cioran Een kleine filosofie van verval, 234-235

1705

12 januari 2019

Giovanni Giacometti (1868-1933)
Alberto Reading (ca. 1914)

Giovanni Giacometti (1868-1933)
Alberto Reading (ca. 1915)

1704

8 januari 2019

Onder de invloed van dat bewustzijn, van die ongeneeslijke aanwezigheid, heeft de mens toegang tot zijn grootste voorrecht: zichzelf te verliezen.
Cioran Een kleine filosofie van verval, 148

Het is omdat we allemaal oplichters zijn dat we elkaar verdragen.
Cioran Een kleine filosofie van verval, 165

(...) de mens leeft ook niet meer in het bestaan, maar in de theorie van het bestaan...
Cioran Een kleine filosofie van verval, 176

Elke beschaving stelt een antwoord voor op de vragen die het universum opwekt; maar het mysterie blijft intact – andere beschavingen, met nieuwe nieuwsgierigheden, wagen zich eraan, even tevergeefs, elk van hen niet meer dan een systeem van vergissingen...
Cioran Een kleine filosofie van verval, 178

Hij wilde een boek schrijven waarin je kon wonen.
Donald Niedekker Wolken &c., 330

1703

7 januari 2019

Hij wist immers bij uitstek het moment te huldigen en voelde zich verwant met de taoïstische dichters die elk systeem, elk principe spotziek afwezen, terwijl ze hun vervulling vonden, ook als kluizenaar in de bergen, in een vrij en blij zwerven.

Periodiek speelde het verlangen naar het grote verhaal op. Alleen, na alle ontgoocheling, na de grote onttovering, wie beheerde dat verhaal? Wie waren de uitleggers, de priesters? Welke rituelen bestendigen dat verhaal? Welke geboden en verboden hoorden daarbij?

Het grote-verhaal-sentiment was voornamelijk heimwee, als dat naar de kinderkamer, de tuin uit je jeugd met de kastanje, de schommelbank bij je grootouders, een verre zomer. Een nostalgisch, vertekend terugverlangen.

Hij draaide zich vast in voors en tegens, in mitsen en maren, en uiteindelijk bleef alleen het onbestemde over als garantie voor zijn vrijheid en legitimatie van zijn zoektocht. De onwil zich vast te leggen, de ingeschapen neiging te ontsnappen aan alles wat hem wilde vastgrijpen, definiëren, begrijpen.

Voilà, het punt waar je het niet meer met redeneren redt, waar het verstand de boel niet meer bij elkaar houdt, het punt waar je je in louter tegenstrijdigheden dreigt te verstrikken, terwijl je haarfijn aanvoelt dat je dichterbij bent, dichter bij dan ooit, maar je redt het niet met je gewone woorden, dan moet je zingen.

Hij ging een brood bakken. Na de eerste gisting had hij een mooie elastische deegklomp. Hij kon niet ophouden met kneden, zijn handen en het houten aanrechtblad bestoven met bloem. Toen het brood uit de oven kwam verspreidde de gloeiendhete korst een knisperend knapperen. Hij at het zware brood met tomatensoep en bosuien.

Donald Niedekker Wolken &c., 218-219

Zijn huidig schrijven, dat zijn weg vond als een niet-schrijven, als een stromen, een meanderen, een onopzettelijk voortgaan, als een zich delend vermeerderen, uitbreiden, raakte aan het taoïstische 'wu wei', het doen door niet-doen, en vaak vroeg hij zich af of hij de auteur was of slechts als medium voor een andere stem diende. Hij gaf het krediet aan de concentratie. De langdurig en consequent op één punt gebundelde aandacht opende in hem, als bij andere schrijvers, kunstenaars, dichters, profeten, onvermoede bewustzijnniveaus, waar als in een vruchtbare humuslaag verhalen, beelden, klanken rijpten en wachtten tot de voor hen gunstige omstandigheden ze deden opbloeien in de vorm van gedichten, romans symfonieën, openbaringen, balletten.

Ook als hij zich overgaf aan divertimento, aan vermaak en afleiding, aan verstrooiing, bleef als hij een kritiek punt was gepasseerd de concentratie in hem bestaan als een grondtoon waar hij zich op elk moment op aan kon sluiten.

Dit was schrijven als zingen, als vliegen, als dansen. De dalen vullen met je stem, over water lopen, de wereld vangen in een vingerhoed en er als een goochelaar met lange theatrale halen een eindeloze sliert verhalen in regenboogkleuren uit opdiepen.

Donald Niedekker Wolken &c., 222-223

1702

23 december 2018

Hoe ga jij dan met die gasten om? Die ongenode gasten die ineens bij je binnen staan en waarbij je je niet kan herinneren dat je ze binnen gelaten hebt? Nou, zeg ik, nou, ik bied ze vrolijk koffie en taart aan en ik stel ze voor om samen wat te gaan doen: film kijken, een wandeling en vaak lees ik ze voor. Daarna ga ik met ze in gesprek, waarbij ik glimlachend naar hun verhalen luister. Wanneer je dat allemaal goedgemutst doet, dan verdwijnen ze weer net zo onverwacht als ze binnen gekomen zijn. Alhoewel, er is altijd wel één bij die niet wil vertrekken, die hardnekkig blijft. Die omhels ik dan en verleid haar in bed. Laten we de liefde bedrijven, zeg ik dan, want jij hoort bij mij. De volgende ochtend maak ik een lekker ontbijtje en als ze er dan nog niet vandoor is, dan ga ik achter mijn bureau zitten en schrijf haar op.